Ooggetuigen

Niets is zo mooi als verhalen over de oorlog uit de eerste hand te horen, van mensen die er echt bij zijn geweest…

Niemand kan het drama beter navertellen dan mensen die er echt bij zijn geweest. We hebben de verslagen van enkele verzetsstrijders kunnen verzamelen. Eén van hen kon net ontsnappen aan de Duitse patrouille, een ander woonde vlakbij, weer een ander was samen met een van de slachtoffers op wacht geweest.

H. Fokkens

Verslag van H. W. Fokkens, van de groep verzetsstrijders uit Elburg. Hij zat in het schapenhok op wacht in de nacht van 12 op 13 april, toen ze werden ontdekt door de Duitsers.

”Uit voorzorg waren de bewoners van de boerderij gelukkig verzocht hun huis te verlaten. Het was wachten op de troepen van de Special Air Service. Het was voor de tweede keer tevergeefs.

Het werd ochtend en er was mist over het land, het was een vreedzame nacht geweest. Iemand van onze groep ging naar de kolenschuur, waar de groep uit Heerde zich verborgen hield, om overleg. Hij kwam snel terug en zei: ‘’Er is een groep Duitsers bij de groep Heerde en ze hebben de wapens al uit elkaar gehaald! De  groep Duitsers is té groot.’’ Tegelijk met hem kwamen de jongens van de groep Heerde langs ons heen. Één van hen vloog bij ons in het schapenhok, en kreeg direct een kogel in de borst. Door twee van ons werd tegenvuur gegeven. We moesten nu echt weg, we waren de laatsten. Hoe we door de prikkelhaag gekomen zijn weet ik niet, ik denk dat God ons heeft hierdoor heeft gered.

Jouke en ik zij door de weilanden en slootjes bij een huis terechtgekomen, hebben daar onze wapens verstopt en zijn verder gegaan. We kwamen aan bij een boerderij, waar we een oude fiets en een jutezak meekregen. Zo leken we op boeren arbeiders.

We fietsen naar Epe. Bij een brug waren Duitse militairen bezig, een springlading aan te brengen, om de brug op te blazen. Wij mochten er nog wel even snel overheen, daarna bliezen ze de brug op. De hele dag hebben we langs paden door de bossen gelopen en ’s avonds kwamen we eindelijk thuis in Elburg…’’

G.H. van Huffelen

Verslag van G. Van Huffelen. Hij deelt zijn ervaringen in de verzetsstrijdersgroep van Heerde:

‘‘We kregen de opdracht om twee kanaalbruggen in Heerde ‘s nachts van 20 uur tot 6 uur ( dus tijdens spertijd) te bewaken, in afwachting van de komst van de Canadezen, die op de Veluwe zouden worden gedropt.

 Ik heb gezegd dat ik niet mee zou gaan met de verzetsactie, omdat enige weken tevoren mijn broer was doodgeschoten door de Grüne Poli­zei. De eerste nacht was ik dus niet aanwezig. Hierdoor miste ik de vaststelling van de vluchtroutes, omdat die op de eerste avond plaatsvond.

 Op 12 april ontmoette ik Henk Kloosterzie. Hij vroeg mij dringend die nacht mee te doen, omdat men te weinig manschappen had en omdat ik des­kundig met wapens om kon gaan door mijn opleiding tot politie-officier, militaire dienst en opleiding van ondergedo­ken vliegeniers.

 Ik liet mij overhalen en kwam laat bij de Klementbrug aan. Iedereen was al aanwezig. Mijn fiets werd bij de andere fietsen opgeborgen op de schuurzolder.

Tandarts Berend van Dijk gaf mij instructies. Die nacht zat ik in de groep van Henk van Apeldoorn, Freek Kok, Henk Kloosterziel, Toon Jansen, Jaap Bijsterbos, Adri van Apeldoorn, Herman van Apel­doorn en Berend van Dijk. Meer mensen kan ik mij niet herin­neren. Elburgers zag ik niet. Die zaten, zoals men mij vertelde, in de schaapskooi.

 Van de bewaking van de brug kan ik mij vrijwel niets herinneren. Het was een rustige nacht, waarin een dichte mist ontstond en verder niet zoveel gebeurde.

 Toen het begon te schemeren, werden de wapens uit elkaar gehaald en in jutezakken gedaan. Mijn twee pistolen en een eihandgranaat leverde ik niet in. Juist toen dit was gebeurd, kwam Henk Kloosterziel, die op wacht had ge­staan, de schuur binnen en zei dat zich een groot aantal Duitse militairen bij de brug ophield. Hij verliet daarna de schuur onmiddellijk weer en kwam niet weer terug.

 Enige ogenblikken later ging de deur van de schuur open en verscheen een Duitse militair als een donker silhouet in de deuropening. Hij kwam naar binnen en vroeg op kalme toon wie wij waren. Toon Jansen antwoordde dat wij evacués uit Arnhem waren.

 Wij waren allen gekleed in blauwe overalls met oranje armband en de Duitser moet onmiddellijk door hebben gehad wat er aan de hand was. Hij vroeg om een sigaret, die hij kreeg, en scheen toen met zijn zaklantaarn rond in de schuur. Het licht bleef even rusten op een eihandgranaat en een pistool, die ik op de vloer had weggelegd. Tevoren had hij met zijn voet per ongeluk of met opzet tegen een jutezak geschopt, waarin de wapens rammelden.

 In de schuur was onze groep aanwezig, maar Henk Kloosterziel was er niet bij.

Adri en Herman van Apeldoorn waren op zolder met de opdracht de fietsen naar beneden te steken voor ons vertrek. Toen de Duitser binnenkwam waren zij daar nog niet mee begonnen.

Zonder verder iets te zeggen, verliet de Duitser heel rustig de schuur. Onmiddellijk fluisterde onze commandant Berend van Dijk ons toe : “Jongens het gaat mis. Probeer weg te ko­men!”. Zelf bleef hij achter, omdat twee van zijn jongens, Adri en Herman van Apeldoorn, nog op zolder zaten.

Henk van Apeldoorn, Freek Kok en ik verlieten de schuur nadat ik mijn tweede pistool dat op de grond lag, had meegenomen. Door de ochtendschemering en de potdichte mist was het zicht maar enkele tientallen meters. In die schemering zagen wij een Duitser in de richting van de brug lopen, terwijl een tweede Duitser op ± 10 meter afstand van de schuurdeur, met een geweer over de schouder, op de weg stond.

 Wij sprongen over het gaas dat de boomgaard van het erf scheidde en renden de boomgaard in. Meteen werd er geschoten, eerst enkele schoten, maar kort daarna volgden machinepistoolschoten. Op het mo­ment dat ik de schaapskooi passeerde, werd van daaruit teruggeschoten. Ik schrok daarvan, omdat leden van onze groep in of bij de schuur konden zijn.

Achterin de boomgaard zag ik Henk en Freek niet meer en raakte vast in een doornheg, die ondoordringbaar was. Henk van Apeldoorn kende de vluchtroute. Hij had gemerkt dat ik niet meer volgde. Hij kwam terug en riep mij naar een gat in de heg, waar zij doorgegaan waren.

 Van enige commandostructuur was geen sprake meer. Wij waren mensen in levensgevaar, die renden voor hun leven en die elkaar hijgend toeriepen welke kant we uit zouden gaan.

In Oene verstopten wij onze Oranjebanden in een kippen­hok en doken onder bij boer Mulder, een kennis van Freek. Dezelfde dag werd de boerderij omsingeld door de Duitsers en boer Mulder werd tegen de muur gezet en moest zeggen waar de verzetsstrijders waren. Gelukkig zei hij niks en gingen de Duitsers weg. De nacht daarop liep ik door de velden terug naar Veessen.

 Nu meer dan 50 jaar later keert het drama Klementbrug regelmatig in mijn gedachten terug. Daarbij denk ik vaak aan onze commandant Berend van Dijk, die met ons mee had kunnen vluchten, maar op zijn post bleef omdat twee van zijn jongens nog op de schuurzolder zaten.’’

J. Middelbeek

Ooggetuigenverslag van Johan Middelbeek. Hij was de eerste nacht van de wacht bij de brug samen met Herman van Apeldoorn. Hij was er de tweede nacht gelukkig niet bij…

 

”Van Herman hoorde ik in de nacht van 11-12 april dat hij evenals ik, de opdracht had een deel van de com­man­do’s als gids naar een nog nader aan te wijzen brug over het kanaal Apeldoorn-Hattem te brengen, noor­delijker gelegen dan waar ik met mijn mannen naar toe moest.

 De commando eenhe­den (par­ty’s) zou­den zwaar bewapend zijn en beschikken over jeeps, pant­serafweer, bren­guns, bazoe­ka’s enz. Wij beiden mochten geen wa­pens dragen. Men ging er kennelijk vanuit, dat wan­neer wij bij een eventueel treffen met de vijand in diens handen zou­den vallen, dan wel gespaard zou­den blijven voor een execu­tie. Een volstrekt onzinnig uit­gangspunt.

 Herman en ik be­seften vanaf het begin dat wij ons beschik­baar hadden gesteld voor iets wat de Duitsers een “Himmelfahrt Commando” noemden. In geval van een gevecht met Duitse troepen konden de geallieerde sol­daten worden ge­wond, sneu­velen, of gevangen worden ge­nomen. Maar met óns zouden ze ze­ker geen pardon hebben.

Het viel mij op hoe flink en vast­beraden Herman was. Hij was jon­ger dan ik, maar raakte geen mo­ment in paniek, ook niet toen er vuurcon­tact kwam tussen men­sen van ons en de vijand.

De nacht was al zover gevorderd dat we de vliegtui­gen hoorden. Maar het was ons verbo­den de droppings­lichten en het seinlicht te ont­steken. De vlieg­tuigen bleven ge­ruime tijd rond­cirkelen, zoekend naar contact met de grondploeg, maar vertrokken toen weer terug naar Engeland.

 We moesten weer terug naar huis zien te komen.Herman wilde terug naar de boswach­terswoning op de “Hoge Duvel”om zijn fiets op te halen. We hebben hem daarvan afge­houden, omdat ik verwachtte dat de Duitsers deze post inmiddels reeds hadden bezet en daar een groot aantal fietsen zouden hebben aan­getroffen. Zij zouden dit zeker in verband brengen met de  drop­ping. Het wemelde op de grindwegen in het Kroondomein van losse groepen Duitsers en van Duitse colonnes. Het ge­knars van de wielen over het grind konden we duidelijk ho­ren.

 Ik kende de bossen erg goed. Ik kon daarom Herman ver­zekeren dat de vijand ons niet zou vinden als wij ons niet zou­den bewegen en plat tussen de dekking van de takken op de grond zouden blij­ven liggen.

 We brachten de rest van de nacht door met onbeweeg­lijk op de grond in het bos te lig­gen. Het ging re­genen. Drijf­nat waagden we vroeg in de och­tendsche­mering de voet­tocht naar Apel­doorn. We moesten door het achterpark van Paleis het Loo, dat door de Duit­sers was bezet. Tot acht uur was het “Sperrzeit”. Had men ons gezien voor acht uur in deze gebieden, dan zouden we op staande voet zijn neergeschoten.

Doordat wij erg voorzichtig te werk gingen, lukte het om ongeveer 8.30 uur een bui­tenwijk van Apel­doorn te bereiken. Het zich bevinden in bewoond gebied was natuurlijk minder gevaar­lijk dan zon­der verklaarbare reden te wor­den aange­troffen in verbo­den bossen.

We liepen een beetje onbezorgd door de Vondellaan in de wijk Berg en Bos, en werden totaal onver­wacht staande gehouden door een Duitse soldaat die met een schietklaar pistool uit de bosjes tevoorschijn sprong.

“Mit, English-Ame­rikanischen Flie­gernachsuch, Be­fehl vom Chef.”

We werden gearres­teerd en in een villa geleid waar we door een offi­cier werden onder­vraagd.Het was op dat moment mooi zonnig weer en wij waren nog kletsnat. Wanneer de man wat dieper had nagedacht, was hem duidelijk geworden dat we de nacht in de bossen hadden doorgebracht toen het regende. Wij moesten dus wel betrokken zijn bij de dropping waar­van hij al van op de hoogte was.

 Een griezelige situatie, maar Herman gedroeg zich zo ont­spannen en rustig dat de officier geen arg­waan kreeg. Hij toonde zijn persoonsbe­wijs en gaf een goede verklaring voor zijn aanwe­zigheid in de Von­dellaan, waar­bij ik mij aansloot. Toch werden we ge­van­gen gehouden, ook omdat ik mijn persoonsbe­wijs niet bij me had.

 Gelukkig kwam men niet op het idee dat onze natte kleding een bewijs was dat wij die nacht in actie waren geweest. Na enige uren mocht Herman gaan. Ik stond er slechter voor en zal nooit Hermans woorden verge­ten : Ja, ik darf gehen aber ich warte lieber auf mein Freund, der darf bestimmt doch auch bald nach Hause”

 En inderdaad, na ongeveer een uur mocht ik met Her­man mee, wat ik aan zijn flinke houding te danken had.

 We gingen verder te voet naar het huis van mijn ou­ders, Deven­ter­straat 2 Apel­doorn. Er was wei­nig meer te eten, maar we hebben toch nog wat ge­vonden. Herman ging niet in op mijn voor­stel om tenminste één nacht bij ons thuis door te brengen om wat uit te rusten.

Hij hield vol dat het zijn plicht was om zich weer direct bij zijn groep in Epe te melden. Met een geleende fiets is hij nog dezelfde morgen vertrok­ken.

Kort na de bevrij­ding hoorde ik dat hij de volgende dag bij de Kle­mentbrug door de vijand was neerge­schoten.

Onder alle oor­logservaringen, het verlies van een groot deel van mijn kameraden heeft dit bericht op mij enorme in­druk gemaakt. Dat een zo flinke kameraad zó kort voor de be­vrijding zo zijn levensein­de moest vinden!’’

Johan Middelbeek

15 juli 1995

H.J. Van Duren

Dhr. Van Duren woonde als zevenjarig jongetje in een boerderij vlakbij de Klementbrug. Zijn oom Jan Stoffer werd gefusilleerd. Hij deelt zijn ervaringen met ons.

Die dramatische morgen 13 april 1945 bij de Olstbrug te Heerde… Ik weet nog goed dat ik met mijn tweelingzusje die morgen tegen zes uur door onze ouders uit bed werden gehaald. Wij waren toen 7 jaar. Wij werden naar de kelder gebracht. Mijn vader zei: ‘’Het is volop oorlog.’’ Onze boerderij lag onder vuur. We woonden nog geen honderd meter van de Klement­brug. We sputterden nog wat tegen, en zeiden dat er niets aan de hand was: De katten speelden op zolder. Maar uit de angstige blik in de verschrikte ogen van onze ouders begrepen wij dat er wel dat er echt iets ergs aan de hand was. Vooral toen bleek dat oom Jan Stoffer die bij ons in de buurt woonde niet meer terug kwam. Hij werd net als buurman Van Lohuizen gefusilleerd bij de Kle­mentbrug.

In de tragische ochtend van 13 april vonden zes verzetsmensen de dood en werden vijf omwonenden ter represaille gefusilleerd. In de boom­gaard van de familie Konijnenberg is toen een massagraf gegraven.

Mijn ouders hebben ons altijd met grote nadruk opgedragen en ons op het hart gedrukt: “Blijf dit herdenken, ook als wij zijn overleden”.

 Dit mogen wij niet vergeten.

Hoe onschuldige burgers door de bezetter werden geexecu­teerd en verzetsmensen, het overgrote deel toen nog in de bloei van hun jeugd.

 Als wij ’s morgens in alle vroegte op 13 april staan rond het monument bij de Olstbrug, en de herdenkingsrede wordt uitgesproken en daar een ogenblik van stilte in acht wordt genomen, valt een diepe stilte die alleen onderbroken wordt door het zachte geruis van de wind door de bomen en het gefluit van de vogels.

Een moment van bezinning en herdenking, dat ieder ten diepste ontroerd, waarna bloemen worden neergelegd.”

H.J. van der Zedde

H. J. van der Zedde was ook betrokken bij het verzet. Hij fietste op de ochtend van het verzet langs de Klementbrug, op het moment dat buurtbewoners werden gefusilleerd…

”Ik woonde in de oorlogsjaren op de Renderklippen in de nabijheid van de huidige schaapskooi. Co Pleiter kwam veel bij ons. Ik sliep regelmatig bij hem thuis, wanneer er weer eens het een of ander aan de hand was. Ook hij had vaak andere gasten die verdwijnen moesten en dan enige dagen bij ons logeerden en dan weer gehaald werden. Door het wegvallen van de elektriciteit had  het verzet geen mogelijkheid meer om berichten door te geven. Daarom  zou ik dagelijks berichten doorgeven aan Co Pleiter. Ik heb daardoor meer gehoord en gezien, dan wellicht de bedoeling was. Ik heb Co hiervoor gewaarschuwd, maar hij was van mening dat ik wel het een en ander mocht weten.

 De accu en het anodeblok raakten leeg. H.P.L. Langevoord had contacten in Zwolle en zorgde voor twee anodeblokken. Op de boer­derij ’t Stokveld bleek men elektra te hebben, wat stiekem verkregen kon worden. Ik zou de accu ’s morgens 12 april weer ophalen, maar Co waarschuwde: ‘’Blijf weg bij de brug, er is wat op til.’’

 Hiervan wist ik niets. Ik had Co niet weer gesproken. Vrijdagmorgen 13 april fietste ik via de Enkweg naar de brug. Ter hoogte van de boerderij van Haverkamp kwamen twee S.S.-ers van beide kanten van de weg uit de rogge en joegen mij naar de brug. Haverkamp jr. lag al levenloos op de weg.

Ik werd bij een aantal mannen gezet, die er reeds stonden. Van Lohuizen werd het erf opgejaagd. Ze schreeuwden  ” Er hat sich versteckt!”. Hij werd gefusilleerd.

 Om ongeveer 10 uur werden wij gefouilleerd. Om de beurt mochten de mannen  naar huis. Toen ik aan de beurt kwam, haalde de Feldwebel een stuk papier uit mijn bin­nen­zak en vroeg wat het was. Ik hield mij van de domme, staarde wat wezenloos voor mij uit en haalde de schouders op. Hierop vroeg hij wie Duits kon lezen en spreken.

De heer van Olst, boekhouder bij zeepfabriek “de Klok”, kwam naar voren en begon te lezen. Wat hij las was niet aangenaam en gunstig voor de bezetters. Het waren oude berichten en ik was helemaal vergeten, dat dit vodje papier nog in mijn binnenzak was blijven zitten.

Toen kwam het moment, dat er werd beslist over mijn leven of de dood.
De Duitser legde zijn handen op mijn schouders en keek mij recht in de ogen. Toen is van het weinige goede, dat er in hem aanwezig was, toch naar boven gekomen: Ik werd apart gezet en niet onmiddellijk gefusilleerd.Verdere details wil ik besparen, wat wij met ons vijven moesten doen en waarmee men ons dreigde…

 De jaarlijkse gang naar de Olsterbrug is voor mij niet alleen een eerbiedig herdenken van de gevallen mannen, die ik praktisch allemaal kende, maar ook welt er een dank­gebed op, dat gezonden wordt naar Gods troon, waarin ik Hem dank voor Zijn hulp en Zijn genade aan mij geschon­ken in dat uur, zodat het mogelijk is, dat ik deze brief aan u mag schrijven.”

E. Stoffer

Evert Stoffer uit Heerde was 16 ten tijde van het drama bij de Klementbrug. Hij woonde op Schoolweg 1. Op deze plek zijn ooggetuigenverslag van de gebeurtenissen op 13 april 1945.

Door Evert Stoffer, Heerde

‘Het was mistig ’s morgens. Plotseling rumoer en gepraat. Vanuit het slaapkamerraam zagen vader en moeder een troep Duitse soldaten in de richting van school in de richting van school in de Horsthoek. Ze kwamen, zeiden ze later, vanaf de IJssel via de Kerkdijk, de Bonenburgerlaan, de Keuterstraat, de Eperweg en de Schoolweg.
We hoorden later, dat er geschoten werd. Ook zagen we brand. Later bleken dat de hooiberg van Michiel Nahum en het schapenhok van Konijnenberg te zijn. Ik moest naar oom Jan om te werken. Vader zei: ‘Jongen, doe voorzichtig aan, want ik weet niet wat daarginds aan de hand is’. Ik ging op de fiets met autobanden, maar toen ik langs Jan van de Vosse kwam, zag ik daar iemand op de weg liggen. Ik wist echter niet wie het was. Bij brugwachter Haverkamp kwam vrouw Haverkamp naar buiten en zei: ‘Ga toch gauw terug, want ze hebben mien jongen ok al dood e schöten’ (dat was diegene die op de weg lag).

Halt!
Toen ben ik terug gefietst naar huis, maar meteen zag ik bij de school weer een paar Duitsers aan komen lopen. Ik ben bij Jan van de Vosse naar binnen gegaan totdat de Duitsers voorbij waren. Toen de Duitsers ter hoogte van W. Berghorst waren, ben ik op de fiets gestapt. Ik zat nog maar goed en wel op de fiets of de Duitsers riepen al: ‘Halt, komm her’. Ik ben direct naar hen toegegaan, bang dat ze me dood zouden schieten. Ik moest mee naar hun bevelhebber en die zat in het huis van Renshof. Ik werd ondervraagd, wat ik wilde en waar ik naar toe moest. Ik vertelde dat ik ging ‘arbeiden bij de bauer’. Ze wilden alles zien wat ik bij me had. Elk papiertje waar wat opstond moest ik voorlezen. Toch mocht ik gaan, maar ze wilden mij de fiets afpakken. Ik zie: ‘Die kan ik niet missen’ en na een poosje te hebben gepraat mocht ik de fiets houden. Daarna ben ik verder gegaan naar oom Jan. Daar vertelde tante Cornelia wat er aan de hand was. De Duitsers hadden oom Jan en de evacué Kees meegenomen. Opoe had hij nog naar oom Willem van Duren gebracht.
Ik ben toen maar aan het werk gegaan. Tegen half tien kwam de evacué Kees terug. Hij vertelde wat er gebeurd was bij de Klementbrug. De verzetsstrijders hadden in de schuur gezeten. De bedoeling was de brug te behouden tot de Engelsen zouden komen. Maar er gebeurde heel iets anders. Ze werden als het ware door de Duitsers overvallen. Ze hadden ze niet zien komen door het mistige weer. Vervolgens zijn ze op de vlucht geslagen en sommige werden doodgeschoten.

Doornheg
Toen zijn in de buurt alle mannen opgehaald. Ook daarvan zijn er enkele geëxecuteerd. De evacué Kees is door het oog van de naald gekropen, want bij hem hielden ze op. Hoe dat zo kwam? Dat was eigenlijk te danken aan G. van Olst; die woonde aan de andere kant van het kanaal en goed Duits sprak. Hij heeft met de bevelhebber gesproken en daardoor zijn er niet meer mensen doodgeschoten. Maar als ze één Duitser doodgeschoten hadden, dan had dat honderd Hollanders het leven gekost, zo vertelde Kees.
Hij meldde ook dat Oom Jan was doodgeschoten (49 jaar oud). Ik wilde dit aan opoe en oom Willem vertellen. Dus ik ging op een draf het paadje over langs de doornheg van IJzerman richting oom Willem.
Ik liep hard en plotseling klonk achter de heg: ‘HALT, Partizaan’. Ik stond stil en wist wat ik doen moest. Maar de Duitser schreeuwde opnieuw: ‘Komm mit’. Ik ben meegegaan. Met de handen omhoog werd ik naar het huis van Klement gebracht. Die Duitser riep maar van: ‘Partizaan, partizaan’.
Toen ik bij de bevelhebber stond werd ik opnieuw ondervraagd en wat ik daar doen wilde. Ik heb het hele verhaal verteld. Ik was wel erg bang dat het niet goed zou gaan. Eigenlijk  kun je maar weinig denken. Je zag de Duitsers de patronen in hun geweren doen en je dacht, dat is het einde van mijn leven, maar Goddank toch nog niet. Hij heeft mij nog gespaard.
Degenen die ze doodgeschoten hadden zag ik liggen. Oom Jan ook. De andere buren waren bezig een graf te graven. Ik mocht weer gaan.
’s Avonds ging ik naar huis, want de Duitsers waren in de buurt ingekwartierd. De zaterdag daarop werd de brug opgeblazen.

 

bron: de Stentor, dinsdag 12 april 2005